‘Als je eruitziet als een kerel, dan moet je ook vechten als een kerel’

Zaterdagavond, 2 april, 00.00 uur. In café De Kast in Groningen heerst topdrukte – de sfeer is fantastisch. Samen met D en een tiental anderen vier ik de verjaardag van een goede vriendin. Nadat we om 00.00 uur de fles champagne hebben ontkurkt, raak ik in de rookruimte in gesprek met een man uit Rotterdam. Het is zijn eerste keer in onze stad. ‘Wat is Groningen een fantastische plek. De gebouwen zijn prachtig, de straten zijn schoon, er zijn talloze gezellige eetcafés en leuke winkels en de mensen zijn hier zo aardig en behulpzaam! Ik ben nog geen enkele stugge Groninger tegengekomen.’ Ik glunder – er gaat inderdaad niets boven Groningen. Althans, dat denk ik dan nog.

Zondagochtend, 06.00 uur. Als ik al lang veilig naast mijn verloofde lig te slapen, loopt D hand in hand met haar vriendin, C, door de Oosterstraat, op weg naar haar fiets. In het donker lopen ze een aantal gedaantes tegemoet en ze horen hun stemmen.
‘Plat op plat vult geen gat!’

De stemmen zijn afkomstig van drie mannen. D is waarschijnlijk blij dat haar Amerikaanse vriendin de kwetsende opmerkingen niet verstaat. Het is de tweede keer die dag dat D en C te maken hebben met homodiscriminatie: een paar uur eerder werden ze al uitgescholden voor ‘vieze homo’s’. De mannen komen dichterbij en blijven vervelend doen. In het voorbijgaan mompelt één van hen: ‘het zijn net kerels.’ D loopt woedend naar één van de mannen toe: dit is de druppel. Ze pakt hem vast bij zijn jas en zegt tegen hem dat hij moet ophouden. Maar dat doet hij niet: ‘als je eruitziet als een kerel, dan moet je ook vechten als een kerel,’ zegt hij en als D hem de rug toekeert, krijgt ze een klap.

De man haalt nog een keer uit en D word op haar keel geraakt. Ze draait zich van de man af en probeert weg te lopen, maar wordt door één van de andere mannen vastgehouden terwijl ze opnieuw wordt geslagen. Ze verstijft. D’s keel wordt zo hard dichtgeknepen dat ze geen lucht meer krijgt. Er ontstaat een worsteling, de man werkt haar naar de grond en ze kijkt machteloos toe hoe haar vriendin haar te hulp wil schieten, maar vervolgens hard in haar gezicht wordt geslagen. D probeert op te staan en ziet C op de grond liggen. Haar aanvaller ligt inmiddels ook en probeert met zijn benen D terug naar de grond te trekken.

Zondagavond, 20.00 uur. Als D terugkomt uit het ziekenhuis, zitten we in de tuin met een hele groep op haar te wachten. Ze heeft een bloeduitstorting op haar gekneusde stembanden. Het kraakbeen in haar hals is mogelijk gescheurd en het gekneusde, opgezette spierweefsel in haar keel drukt op haar slokdarm. Eten kan ze niet, praten gaat moeilijk. Ze heeft nog niet geslapen. Haar vriendin heeft een snee boven haar blauwe oog: haar kapotgeslagen bril heeft zijn sporen achtergelaten. Verder heeft ze een dikke onderlip en een gescheurde oorlel.

D vertelt met een trillende stem het hele verhaal. Hoe D zich uiteindelijk toch los wist te wrikken. Hoe haar geliefde gewond op de grond zat, met haar hoofd tussen haar opgetrokken knieën, toen een onbekende hand haar omhoogtrok en daarna beide vrouwen in veiligheid bracht. Hoe de mannen stonden te lachen. Hoe D en C een vriendin belden, die gelijk naar hen is toegesneld. Hoe die vriendin een voorbijrijdende politiewagen probeerde aan te houden, maar werd genegeerd: de auto reed stapvoets door.

Pas als D over haar vriendin praat, houdt ze het niet meer droog. ‘Ze heeft in de VS zoveel discriminatie en geweld meegemaakt. Hier in Nederland voelde ze zich veilig. Hier kon ze zichzelf zijn, dacht ze. Zo’n kleine vrouw, ze is 1.58 meter lang. Hoe durven ze?’

D wordt getroost en geknuffeld en er wordt in de tuin nog urenlang gepraat, gegeten, gedronken en zelfs gelachen. De sfeer is goed: we voelen ons sterk en verbonden met elkaar. En toch is het merkbaar dat in ieders hoofd een klein, zacht stemmetje ons waarschuwt: zijn we wel veilig? Zou één van ons de volgende zijn? Wat als wij het waren geweest? Het had een ieder van ons kunnen overkomen.

Iedereen binnen onze groep is lesbisch of biseksueel en heeft weleens te maken gehad met homodiscriminatie. Scheldwoorden, vuile blikken: ze worden ons regelmatig toegeworpen en het overkomt ons zo vaak dat we het eigenlijk bijna normaal zijn gaan vinden. We hebben ons leven erop aangepast: tijdens het uitgaan in de Poelestraat lopen we niet hand in hand, in een openbare ruimte kijken we gauw om ons heen voordat we elkaar een zoen geven – en het liefst daarna ook nog even. Wanneer we in een uitgaansgelegenheid samen staan te dansen, zijn we alert. Als we op straat worden uitgelachen, nagefloten of uitgescholden, doen we meestal alsof we niets horen. Dit is niet incidenteel, dit is aan de orde van de dag. Maar we zeggen er niets van. Bijna nooit. Waarom niet? Omdat we bang zijn dat we dan misschien wel eindigen zoals D en haar vriendin.

In 2015 zijn er slechts 19 meldingen binnengekomen bij het Discriminatie Meldpunt in Groningen. En dat terwijl alleen mijn vriendinnen en ik gezamenlijk al ruim over dat aantal heen komen. Maar we melden het niet. Omdat we vrezen dat er toch niets mee wordt gedaan. Omdat een enkeling wél aangifte heeft gedaan en door de politie is verteld dat niet kon worden bewezen dat het om discriminatie ging. Omdat we bang zijn dat mensen ons aanstellers vinden: we moeten toch blij zijn dat we in Nederland wonen? In het buitenland is het toch nog veel erger? We voelen ons alleen. We worden niet serieus genomen.

C: ‘What bothered me the most was not this man’s violence, which is utterly confusing although not at all surprising to me. I think it was very surprising to D, who is from here. I just didn’t know what my reaction should be, and I didn’t like it being anything other than stoic. I should have gotten back up. I am small, and I am not ashamed of my lack of physical force. But I am not like this man because I am psychologically solid, and I didn’t want to cry like that.’

D: ‘het ergste vind ik nog dat mensen gelijk vragen wat voor huidskleur de daders hadden. Ze discrimineren zelf ook, zonder dat ze zich daarvan bewust zijn. De daders waren alle drie blank. De man die ons uiteindelijk geholpen heeft, was getint.’I just really don’t like violence’, zei hij tegen C.’

Burgemeester, gemeente, politie, medemens: doe iets. Wij zijn bang. Wij voelen ons niet veilig, net als vele andere minderheden in Nederland. Er is een stijgende lijn te zien in de intolerantie, discriminatie, vooroordelen en uitingen van agressie. Het woord homo is samen met het woord flikker nog steeds één van de meest gebruikte scheldwoorden. Homoseksuele jongeren hebben vijf keer vaker suïcidale gedachten dan heteroseksuele jongeren. LHBT ouderen gaan terug de kast in als ze naar een verzorgingshuis moeten. Moslims met een baard en vrouwen die een hoofddoek dragen worden met een scheef oog aangekeken. Gelovige kinderen durven op school niet te vertellen dat ze naar de kerk of de moskee gaan. Het enige wat we willen, is onszelf zijn. We willen gezien worden als normaal mens, als méér dan onze geaardheid, geloofsovertuiging of huidskleur. Want we zijn nog zoveel meer dan alleen dat, net als ieder ander. Laten we samen strijden voor een stad, een land, een wereld waarin iedereen anders is, maar wel gelijk aan elkaar. Laten we ervoor zorgen dat mensen niet langer gediscrimineerd worden op basis van hun geaardheid, afkomst, huidskleur, geloof of wat dan ook. Help ons, door diversiteit te prijzen, door organisaties die educatie verschaffen te ondersteunen, door normen en vooroordelen weg te nemen en door bewustwording, acceptatie en compassie te creëren. Durf je vrienden, je kinderen, je ouders of collega’s aan te spreken wanneer je hoort dat ze verharden ten opzichte van minderheden, of wanneer ze onvoldoende geïnformeerd zijn om tot een goed onderbouwde mening te komen. We moeten informeren, educatie bieden en als samenleving in beweging blijven als het gaat om acceptatie. Help ons mee. Jullie hulp is hard nodig.

“We cannot allow our fear of anger to deflect us. Hatred and our anger are very different.Hatred is the fury of those who do not share our goals, and its object is death and destruction. Anger is a grief of distortions between peers, and its object is change.” – Audre Lorde

Auteur: Janet Wieldraaijer