‘Dag tegen pesten. Dag Anita.’

Lieve Anita J.

Annie
Annie

Eigenlijk hoop ik dat je mij al lang vergeten bent, of, als je nog weet wie ik ben, dat je dan met plezier aan me terugdenkt. Niet dat ik dat verdiend heb, want ik heb je gepest…..

Je bent, voor zover ik het me kan herinneren, het enige kind dat ik gepest heb maar dat is niks om trots op te zijn verder. Toch wil ik je vertellen waarom ik je gepest heb maar voorál wil ik je op je hart drukken dat jij niets, maar dan ook helemaal niets gedaan hebt om het getreiter van mij en je andere klasgenoten in de zesde klas, die nu groep acht zou heten, te verdienen. Laat dat heel duidelijk zijn.

Je was een gewoon meisje, lief en opgewekt, je lachte veel, had problemen thuis met een strenge moeder die je niet spaarde en fysiek strafte. Dat wisten wij in de klas volgens mij allemaal, je was er open over en hoe lelijk en onterecht ook, het maakte je ook op school een slachtoffer.

Tot en met de vijfde klas heb ik niets te maken gehad met pesterijen aan jouw adres. Ik weet ook niet of je toen überhaupt te maken had met pesten. Wat ik wel weet is dat ik toen zelf gepest werd.

In de vierde klas kwam ik op school, bij jou in de groep, een combinatie van klas vier, vijf en zes. Allemaal Amsterdamse kinderen uit buurten die werden afgebroken. Grote, ruwe kinderen, met een Amsterdams accent, soms al met make-up, hoge hakken en korte rokken, die toen in de mode waren.

Mode. Iets waar ik tot dan toe niets van wist, niets van begreep, niet snapte dat dat er toe deed. De kinderen waren allemaal heel anders dan de zachte Amsterdam-Zuid kinderen van de Monterssorischool waar ik vandaan kwam en waar nooit werd gelet op wat voor kleren je aanhad. Hier waren de kinderen ouwelijker, meer al volwassen en door de wol geverfd.

Ineens was ik ‘raar’ met mijn schapenwollen truien, geruite rokjes en opgelapte corduroybroeken. Uiterlijk, iets waar ik me tot dan toe nooit mee bezig had gehouden, was ineens belangrijk.

Bijna direct begonnen de pesterijen. En ik begreep er niets van. Nog nooit had ik er niet bij gehoord. Ik wist niet eens wat ‘er niet bij horen’ betekende. Nooit was ik gepest, ik had geen idee hoe ik er mee om moest gaan, sliep er niet van, had buikpijn voor ik naar school moest en was vaak ziek. Ik probeerde me zo veel mogelijk aan te passen, ging praten met het accent wat ik, opgroeiend in Amsterdam, nooit gebruikt had en waar ik nu nóg niet vanaf ben en deed zo veel mogelijk om niet uit de toon te vallen zonder helemaal mee te doen. Ik schipperde tussen mezelf zijn en vooral niet anders zijn dan de anderen.

Ik was bevriend met zowel de populaire meisjes als met de niet populaire meisjes, ging volksdansen ondanks dat ik er om uitgelachen werd en leerde hoe ik me moest verdedigen: Door mee te lachen. Humor als verdedigingsschild én als wapen. De oude, valse nicht in mij werd toen, in die tijd, geboren.

Niet dat het hielp tegen de scheldpartijen, het buitensluiten, de soms fysieke aanvallen van kinderen waar ik doodsbang voor was of de telefoontjes waarbij niets werd gezegd als ik opnam en waarvan ik wist waar ze vandaan kwamen. Zó gemeen. Humor was daar niet tegenop gewassen maar het hielp me in ieder geval mijn masker op te houden zonder te breken. Ik vond de drie jaar op de lagere school, na mijn verhuizing naar het splinternieuwe Almere, een survivaltocht in een onbekende, geboobytrapte jungle. Vreselijk.

En toen zat ik zelf in de hoogste klas. De zesde. En ineens hoorde ik bij de sterke, grote kinderen. Er werd naar me opgekeken en er werd geluisterd. Voor het eerst op deze school had ik het gevoel dat ik iets voorstelde. Deels ten koste van jou.

Ik had beter moeten weten Anita. Veel beter dan mee te lachen als jij gepest werd. Wat had ik meteen een spijt toen ik jou op een dag, onder aanmoediging van de klas, met water begoot terwijl jij aan je tafeltje zat. Het betekende onmiddelijk het einde van mijn carriere als treiteraar maar jouw vernedering toen, heb ik op mijn geweten en geloof me, als ik er aan denk, aan het verdriet op je gezicht, je ‘waarom’ vragende blik, de moedeloosheid in je afhangende schouders, dan ga ik kapot. Toen al en nu nog.

Nooit ben ik meer gepest. Nooit héb ik meer gepest. Deze ene pestcampagne was voldoende om me een keiharde les te leren. Dat dat over jouw rug moest gebeuren spijt me tot op de dag van vandaag.

Toen ik zestien was en jij vijftien, deden we samen kindervakantiewerk. Je was zoals gewoonlijk lief, gezellig en vrolijk. Na een paar dagen samenwerken bracht ik ons verleden op de basisschool ter sprake. Je herinnerde het je nog wel maar niet zo heftig als ik. Er waren wel ergere dingen gebeurd zei je en dat ging dwars door me heen. Ik heb mijn spijt betuigd, je hebt me vergeven, daar in de knutseltent. Je stelde het op prijs dat ik er over begonnen was en we hebben elkaar omhelsd.

Nu heb ik een dochter. Een prachtig kind. Slim, mooi, lief. En toch wordt ze buitengesloten. Niet of nauwelijks op feestjes gevraagd, gestompt, om niks. ze heeft vaak buikpijn en huilt op zondag omdat het de volgende dag maandag is.

Ze doet niets om dit te verdienen.
Net als jij toen Anita.
Precies als jij.

Dit verhaal is eerder door Annemieke Aalderink-Bakker gepubliceerd op Annietalk,

Annie, plattelandsactrice in hart en nieren, die op haar glamour feelgoodpagina met de Facebookers communiceert over alles wat haar bezighoudt.